Blijf op de hoogte

De vrije titel boomchirurg wordt in Nederland nauwelijks meer gebruikt en heeft zich in de loop van de jaren vervormd naar treeworker. Maar niet alleen de titel van het beroep, simpelweg boomverzorger genoemd, ook de kennis van het vak heeft een evolutie doorgemaakt waarbij oude inzichten in de loop van de afgelopen dertig jaar door feitelijkheden werden achterhaald.

Het professioneel verzorgen van bomen, buiten bossen, is in Amerika door John Davey in 1880 ingezet welke The Davey Tree Expert Company heeft opgericht. Vandaag de dag een Amerikaanse multinational met 9.500 medewerkers. Hier is voor het eerst de titel boomchirurg ingevoerd. Deze fantasievolle naam staat voor het verlenen van zorg die levens redt van bomen. Bomen raken gewond door stormen en ongelukken, ontwikkelen rotte plekken en ondervinden andere gezondheidsproblemen. Boomchirurgen zijn hun doktoren en passen medicijnen en spalken toe, snoeien, bemesten en verzorgen bomen. Kenmerkend is de sterke parallel met de humane gezondheidszorg waarbij de patiënten in deze de bomen zijn. Zo moesten wonden van bomen met gesteriliseerd water behandeld en afgedekt worden. Holtes werden gevuld zoals een tandarts een holle kies vult en ophopend vocht moest worden gedraineerd. Maar centraal bij dit alles stond het behoud van bomen.

In Duitsland is sinds 1935 de firma Maurer actief welke de wortels van zijn kennis in Amerika  heeft liggen, de werkwijze van Maurer komt sterk overeen met hetgeen Davey’s had ontwikkeld. Veel monumentale bomen, Naturdenkmal, in Duitsland vertonen nog de sporen uit deze periode. Ook in het Verenigde Koninkrijk vond een professionalisering in de richting van stedelijke bomen plaats, hier werd in 1964 The Arboricultural Association  als wetenschappelijke en educatieve organisatie opgericht vanuit de behoefte om kennis uit te wisselen over bomen die niet in bossen groeien. In 1966 werd in Nederland de boomchirurgie door de gebroeders Allrik en J’orn Copijn geïntroduceerd, beide broers waren vijf jaar bij de firma Maurer in de leer  geweest en waren nog enthousiaster geraakt toen ze een congres in Amerika bezochten. Kenmerk van elk van deze (boomchirurgen) bedrijven is het belang vertegenwoordigen om bomen te beschermen.

In 1983 ben ik als Brabantse plattelander bij de firma Copijn boomchirurgen in Utrecht begonnen als assistent boomchirurg. Mijn Brabantse kennissen wezen naar hun voorhoofd als ik vertelde wat ik ging doen: “As unne bom slécht is dan zaagdem gewoon um!”,  was een meer dan gebruikelijke reactie. Als natuurliefhebber was het voor mij een openbaring om te zien dat vooral in de stedelijke omgeving mensen voor het belang van bomen opkwamen. Het summum van deze kruisridders was wat mij betreft wel de actiegroep Vrienden van Amelisweerd die zich in 1982 aan bomen vastketenden om zo de kap van bomen te verhinderen op het landgoed Amelisweerd in Utrecht ten behoeve van verbreding van de snelweg A27. Een geheel andere instelling waaruit ik kon opmaken dat naarmate de verstedelijking rondom bomen toenam mensen meer betrokkenheid toonden.

Kenmerk van de jaren ‘80 was het automatisme waarmee we de boomchirurgische handelingen uitvoerden. We namen alles wat ons voorgedaan werd als zoete koek aan. We behandelden bomen echt als patiënten waarbij we nog net geen witte overall droegen, hoewel de praat onder elkaar wel ging dat J’orn Copijn in het verleden met witte stofjas onder bomen aanwijzingen stond te geven. Maar nee wij droegen over onze spijkerkleding  met blauwe Helly Hansentrui een groene overall en als persoonlijke beveiliging droegen we voor de motorzaag zonder kettingrem, …oorkleppen! Het zo glad mogelijk aan de stam afzagen van takken was net in de jaren ’70 achterhaald maar instructie was om door de verdikte takkraag te zagen zodat wondovergroeiing het sterkst was. Een handeling waarvoor je nu tijdens een treeworker examen kunt zakken. We bedienden ons van de meest uiteenlopende medische termen. Als we een tak afzaagden dan waren dat wonden en deze moest je afsmeren om infectie te voorkomen. Hiervoor hadden we eerst het middel Lac Balsem, wat door de Duitsers ‘kunstliche Rinde’ (kunstbast) werd genoemd. Dit bungelde in een potje aan de klimriem en werd later het huisproduct Dendrosan. Je kliederde dit bruine goedje op elk wondje en als assistent boomchirurg mocht jij in het begin van je carrière de snoeier naklimmen om al zijn wondjes af te smeren, beetje lullig werkje maar je leerde wel klimmen. Maar gelukkig ben ik lang en kon ik er makkelijk bij, ook dat ene wondje helemaal aan het uiteinde van de tak, want o wee je liet niet één wondje onafgedekt. Na een week bleef je groene overall recht overeind staan van de dikke koeken wondafdekmiddel. Ik heb ook regelmatig grote opgedroogde klodders uit mijn toen nog weelderige haardos gepulkt. Mhm, misschien is dat de verklaring. Het gebruik van wondafdekmiddel was misschien wel de eerste discussie binnen de vakvereniging KPB die aantoonde dat het geen positief effect had en vooral cosmetisch van aard was.

Het volstorten van holtes was destijds in de opinie van de Nederlandse boomchirurgie een verouderde techniek. Als er een holte in een boom zat, gingen we deze uitfrezen want we verkeerden in de veronderstelling dat hiermee schimmels werden verwijderd. Gevolg was dat we dagen op één boom zaten te frezen met vandaag de dag als dankbare herinnering aan die periode mijn witte, dode vingers zodra het beneden 10O C komt. We namen het frezen heel serieus en gingen echt tot op het witte, harde gezonde hout. We kregen als firma Copijn de meest unieke monumentale bomen te behandelen in de Benelux en Duitsland. Ik kan me de keer herinneren dat we met zijn tweeën met de ruggen tegen elkaar in (!) een knoeperd van een holle tulpenboom zaten. Deze boom werd de kabouterboom genoemd vanwege zijn bolle onderstam en opening waardoor je erin kon kruipen. Deze boom stond op het terrein van het rijtuigenmuseum Nienoord in Leek, Groningen. We zaten dus met de ruggen tegen elkaar gebroederlijk in die boom te frezen toen deze ineens een korte harde droge knal liet horen. Bleek een fikse dwarsscheur te zijn ontstaan in de blank gefreesde binnenwand van de boom! Een gebrek waar de boom nu waarschijnlijk voor op de noodkaplijst zou komen. Okay, dan zijn we ver genoeg gegaan concludeerden we en stapten rustig uit de holle kabouterboom. Had je een holte zelfs in de stam opengemaakt om er bijvoorbeeld beter bij te kunnen dan moest die gehecht worden, je bevestigde ijzeren draadeinden waarvoor je door de holterand boorde en om de plusminus 50 cm aanbracht om de ringspanning te herstellen. Ringspanning, een term die ik later nooit meer tegen ben gekomen, klinkt meer als circus nervositeit. De hechtingen werden met teer ingesmeerd, de holte werd geïmpregneerd met Siosan en de wondranden werden afgedekt met Dendrosan. Dat Siosan alles behalve een vriendelijk product was, bleek wel uit het feit dat je het niet op het levende spinthout mocht smeren want dan kon het afsterven. Maar dat het geen vriendelijk spul was bleek ook wel uit mijn eigen ervaring nadat ik een keer kwistig Siosan op mijn gezicht geknoeid. Twee jaar lang kreeg ik bij sterke zon last van huiduitslag op mijn gezicht! Het frezen van bomen bleek niet te werken zoals gehoopt, voor mij is de Kroezeboom op de Fleringer Es in Tubbergen hiervan het ultieme voorbeeld welke ook hieronder in de foto’s is weergegeven. In een bijzonder leuk Polygoon journaal filmpje uit 1974 zie je een goedgemutste boomchirurg met spijkerjas driftig hakken en met gutsen schrapen in de rotte gedeeltes van de dan nog bijna massieve eikenstam van de Kroezeboom. Ik heb de eer gehad om in 1986 ook aan de Kroezeboom te werken waarbij je op de foto ziet dat al meer materiaal van de stam verdwenen is. In 2000 staan mijn kinderen op 5 en 6 jarige leeftijd in de boom. Vervolgens  zie je in 2016 mijn dochter nogmaals in de volledig holle stam van de nog steeds imposante boom. Het uitfrezen heeft het verrotten van de stam meer gestimuleerd dan geremd, maar dankzij de vele ankers is uitbreken van de kroon wel voorkomen.

Het verankeren van bomen behoorde tot de standaard procedure van de jaren ’80. Ik heb honderden, nee kilometers staalkabels in bomen gemonteerd. Zodra we een ‘zware’ tak zagen dan ging er op één vierde hoogte een spananker in die knoepstrak werd gemonteerd en op drie vierde hoogte werd een stormanker gemonteerd welke los moest hangen. Beide bevestigden we met een draadeind dwars door de stam waaraan een oogmoer werd gemonteerd. Deze staalkabels zorgden bij het snoeien van de Linde van Sambeek in 2015 voor de nodige hoofdbrekens, omdat de toen meer dan 40  jaar oude ankers versleten waren en de inmiddels steunafhankelijk geworden gesteltakken bij kabelfalen makkelijk konden uitbreken. Inmiddels is de toepassing van stalen verankeringen vervangen door nylon lijnen wat niet persé een verbetering is omdat staalkabels wél kunnen voorkomen dat een tak uitbreekt, de wijze van aanbrengen is het meest discutabele deel in deze.

Opmerkelijk detail is dat ik de term ‘plakoksel’ in begin jaren ’80 nog nooit had vernomen en deze me pas duidelijk werd toen ik mezelf bij de KPB aansloot. Het was eind jaren ’80 dat er meer en meer kennis ontstond rondom de eigen afgrendeling van bomen, inzichtelijk gemaakt middels het in 1985 door Alex Shigo gepubliceerde CODIT model. Hiermee werd het frezen van bomen steeds meer achterhaald waarmee ook de term boomchirurg in kracht afnam en steeds meer voor ‘Old School’ kwam te staan. Hierin speelde ook Pius Floris een belangrijke rol welke zowel Shigo met het CODIT model als het bewustzijn en kennis over bodemschimmels naar Nederland haalde en zich keerde tegen de “ijzerboeren”. In 1992  werd de European Arboricultural Council EAC opgericht welke in 2000 resulteert in de eerste examinering van European Tree Worker in Nederland en in 2005 de European Tree Technician. Hiermee was eindelijk een certificering ontstaan waarmee een minimale hoeveelheid vereiste bomenkennis geborgd was en eisen door opdrachtgevers konden worden gesteld.   Meer en meer treeworkers en treetechnicians werden gevraagd en  deze trendy Engelse benamingen burgerde in.

Inmiddels is de kennis rondom het functioneren van boom en bodem in de stedelijke omgeving sterk uitgebreid, ook de commerciële markt heeft producten ontwikkeld die bijdragen aan het behoud van bomen en verlengen van de levensduur van bomen. We kunnen nu terugkijken en zeggen dat de boomchirurgen het niet goed hebben gedaan maar dat doet ze geen recht. Nee ik ben de pioniers van het vak dankbaar dat ze het lef hebben getoond om voor bomen op te komen in een tijd dat dit helemaal niet gewoon was. Dankzij de ervaringen die toen zijn opgedaan weten we nu veel beter wat wel en niet goed is. De roep om behoud van oude bomen blijft bestaan in ons roerige land welke permanent op de schop is. Er is nog steeds onvoldoende respect voor onze eeuwig levende monumenten, hier kunnen we nog veel leren van de pioniers die ons voorgingen.

Wil je een bericht ontvangen als een nieuwe blog is geplaatst? Meld je hier aan.

Aanmelden mailinglijst
Deze website maakt voor een optimale werking gebruik van cookies. OK Toestaan Weigeren Lees voor meer informatie onze privacyverklaring privacy Cookie instellingen