Blijf op de hoogte

Een groot gedeelte van mijn werk bestaat uit kennis vergaren en kennis delen. Hiervoor bezoek ik regelmatig congressen waar ik veel interessante kennis oppik maar ook vanuit Terra Nostra worden we gevraagd om kennis over te brengen. Onlangs was ik op het jaarcongres van de Arboricultural Association (zie onderaan deze blog mijn gratis advies voor de bomenbranche van Nederland) in Exeter, Verenigd Koninkrijk met als thema Crown & Canopy Management . Een lekker praktisch onderwerp na jaren van aandacht voor allerlei abstracte, maar niet minder belangrijke onderwerpen zoals Urban Forestry en ecosysteem diensten. De uitdaging die ik mezelf op een congres stel is: wat heeft de groene sector hieraan én hoe kan ik de opgedane kennis gebruiken en vertalen naar onze dagelijkse praktijk. Met name wetenschappelijke onderzoekers hebben nog wel eens de neiging om los te weken van de praktijk, maar daar staat ook tegenover dat de praktijk wel eens te grote stappen maakt met onvoldoende onderbouwde aannames. Ik denk dat mijn vorige blog daar een aardig voorbeeld van weergeeft.

Mijn presentatie focust op de cultuur, het vormen en onderhouden van vorm-/leibomen in Nederland. Dit onderwerp stond deze zomer ook op het programma in Letland bij het bijzondere bedrijf  Labie Koki  van Edgars Neilands waar ik een driedaagse cursus over dit onderwerp heb gegeven. Van het congres in Exeter is een video  van mijn presentatie gemaakt maar ik moet eerlijk bekennen dat ik het vreselijk vind mezelf te horen. Ondanks dit gevoel blijkt er een grote belangstelling voor vormbomen te bestaan en merk ik achteraf veel enthousiasme over de presentatie.

In Nederland is de cultuur van de vormbomen ontstaan in de 17e eeuw op de rijke landgoederen. Exotische planten en bomen werden destijds geïntroduceerd, veelal fruitbomen die de tuinbazen wisten te cultiveren voor de zonnige muren. Middels leilindes werden monumentale omzomingen van de barokke tuinen aangelegd. Ondertussen namen, in meest katholieke plaatsen, vormbomen een centrale plaats in de samenleving in. Langzaamaan ging de vormbomen cultuur ook over naar het gewone volk. De vele boerderijen die we nog steeds kennen met leilindes die van oorsprong heel praktisch werden aangeplant om bescherming te bieden tegen zon, wind en soms zelfs overslaand vuur laten dit mooi zien.

De solitaire vormbomen die we in enkele plaatsen hebben zoals in Etten-Leur en Oisterwijk zijn indrukwekkend. Het Prilleke in Uden is een voorbeeld van een boom in een vrije vaasvorm welke door de bevolking werd gekoesterd. Helaas ging deze boom in 2006 tijdens een voorjaarstorm ten onder en kwamen vele mensen daags erna naar de restanten kijken. Dit en de onthulling in 2013 van het nieuwe Prilleke met constructie in vaasvorm waar honderden mensen op af kwamen geeft mij nog steeds aan hoe mensen verbonden kunnen zijn met bomen. De etagelinde van Nuenen en ook Nederlands oudste boom in Sambeek welke van oorsprong een vormboom is laat de Engelsen beseffen dat de vormbomen die wij kennen een voor hen onbekende traditie is.

Frequent onderhoud van vormbomen is noodzakelijk om de vorm in stand te houden. Meest gebruikelijk is om vormbomen jaarlijks te ontdoen van nieuw ontstane scheuten, knotten dus. Consequentie van jaarlijks knotten is dat er grote klompvormige ‘knotskoppen’ aan de takeinden ontstaan. Om deze knotskoppen naar het Engels te vertalen gebruik ik de term ‘knuckleheads’.  Later snap ik waarom de Engelsen om deze term lachen want knuckleheads betekend domkoppen….. Het fenomeen knotskoppen is een probleem voor de  >150 jarige leilindes op de Markt in Geertruidenberg. Hier breken gesteltakken uit omdat de koppen te zwaar zijn geworden door het jaarlijks afknippen van de jonge scheuten. Door aan de uiteinden van de gestel takken een relatief klein takstompje jaar op jaar te handhaven, resteert door opeenstapeling van snoeiacties in de loop van decennia een dicht gevloeide houtklomp, een knotskop. Probleem is dat de diameter van de gesteltak waar ze aan groeien nauwelijks toeneemt en deze knotskoppen het risico lopen met gesteltak en al af te breken. Gezien mijn hobby om te beeldhouwen in hout kun je van deze knotskoppen wel prachtige kunstwerken maken, voor mij een mooi voordeel maar geen doel op zich.

Er zijn echter verschillende mogelijkheden om knotskoppen te voorkomen. In eerste instantie consequent en kort afknippen van de scheuten maar ook afwisselen in snoeifrequentie. Men kan bijvoorbeeld een vormboom onregelmatig knotten. De ene keer na één jaar, vervolgens na drie jaar en dan weer een keer knotten na twee jaar uitgroei. Hierbij blijkt dat hiermee de gesteltakken wel in diameter toenemen en het risico op uitbreken van de bijna niet te vermijden knotskoppen beperkt wordt. Wissel snoei kan in hele specifieke gevallen ook worden toegepast waarbij binnen een knot bijvoorbeeld na 3 tot 5 jaar fors wordt gedund waardoor licht ontstaat en nieuwe scheuten zich kunnen ontwikkelen. Vervolgens kunnen na één of twee jaar de oudste scheuten weer worden verwijderd. Op deze manier kun je cyclisch hergroei van nieuwe scheuten stimuleren maar leg je de fabriek (fotosynthese) nooit geheel stil. Een methode die veel tijd vraagt, in balans moet zijn met de vorm van de boom waarbij ook vanwege schaduwwerking en windbelasting een niet te groot kroonoppervlak mag ontstaan.

Bij het opbouwen van een vormboom speel je met groeiregels. In het verleden heb ik deze specifieke historische kennis opgedaan bij Jan Freriks (1929).  Jan Freriks heeft dit nog in Tiel op de tuinbouwschool onderwezen gekregen  en behoort tot  de laatste generatie die vormtechniek op school behandeld heeft gekregen. Jan Freriks heeft een geweldig leerzaam boek over vormbomen geschreven: Hovenierskunst in palmet en pauwstaart. Belangrijkste is om geduld te hebben. Vorm bijvoorbeeld maximaal 1 laag per jaar, oftewel een leilinde met 5 taklagen doe je minimaal 5 jaar over om het gestel te vormen met gelijkwaardige groei in alle taklagen. De leibomen die op sommige kwekerijen worden verkocht of zelfs als veilingproduct uiteindelijk in een tuincentrum belanden laten regelmatig zien hoe het niet moet. Het betreft dan bomen die in één keer vanuit een vrij uitgroeiende kroon gevormd zijn waarbij alle takken in één vlak gebruikt worden.  Kenmerk van deze bomen is een onevenwichtig opgebouwd gestel met achterblijvende groei in de onderste takken en een dominantie bovenlaag. Toekomstig gevolg is een afstervende zwak aangelegde onderste laag en een kop die dominant groeit. Spelen met natuurwetten, gebruik maken van natuurlijke eigenschappen van boomsoorten én jarenlang proberen en ervaren maakt dat er nog steeds geweldige toepassingsmogelijkheden zijn voor vormbomen bij beperkte bovengrondse ruimte of als markant punt in een dorp of stad.

 

Addendum:

De Arboricultural Organisation is een professionele organisatie waarbij ieder zichzelf respecterende boomverzorger en boomadviseur uit het Verenigd Koninkrijk zich heeft aangesloten. Als ik naar ons versnipperd klimaat kijk van verschillende belangen organisaties , Kring Praktiserende Boomverzorgers, VHG vakgroep boomspecialisten en Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen lukt het ons een stuk slechter één vuist te maken. Meer en meer kampt een ieder van deze organisaties met bestuurlijke onderbezetting, invloed van dominante haantjes en daarmee verlies aan slagkracht. Ik denk dat Nederlandse boomgerelateerde organisaties van de Arboricultural Organisation kunnen leren en zich moeten verenigen om te voorkomen dat we allemaal zelf de knotskop proberen uit te hangen.

Wil je een bericht ontvangen als een nieuwe blog is geplaatst? Meld je hier aan.

Aanmelden mailinglijst
Deze website maakt voor een optimale werking gebruik van cookies. OK Toestaan Weigeren Lees voor meer informatie onze privacyverklaring privacy Cookie instellingen